Elk moment van de dag leert de mens. Door interne en externe invloeden worden de sociale-, cognitieve- en arbeidsmatige vaardigheden steeds verder ontwikkeld.
Leren gebeurt, omdat er een behoefte is (intrinsieke motivatie) of de behoefte wordt gecreëerd (extrinsieke motivatie). (note)
De vereiste informatie wordt grotendeels aangeboden in klaslokalen en cursusruimten, waar een docent/cursusleider staat, die volgens een lesrooster het kennisgebied doceert, waarbij het boek / examenstof de leidraad vormt.
De docent/cursusleider geeft veelal een lineaire informatie-overdracht.
Een cursist zal de cursus gemotiveerd volgen, want zijn keuze voor cursus is bewust gebeurd.
Een leerling in het voortgezet onderwijs heeft niet bewust voor zijn vakkenpakket gekozen.
De notitie, dat het vak, lesonderdeel van belang is "voor later", is te vaag. "Later" is zo ver weg. (note )
Wat wil / kan een leerling ?
- functioneel werken ( "hoe duur is het ? wat levert het op ? )
- concreet werken ( = lezen en direct reageren; leren voor nu)
- omgaan met discontinue informatie ( note; punt 2) (hierin zit een relatie met multitasken / note )
- beeldgericht werken ( plaatje in plaats van praatje) (note; punt 1)
- samen werken, fysiek of via netwerken( note; punt 5)
- tijd- en plaatsonafhankelijk bezig zijn. (note )
- gamen (note)
- gewaardeerd worden ( note)
- respect, waardering opbrengen voor iemands kennis/kunde, ongeacht de leeftijd (verticale segmentatie) (note)
- gebruik maken van multimedia, als communicatiemiddel (note )
- zichzelf profileren (Hyves, Facebook, LinkedIn, kledingstijl, tatoeage, weblogs)
- geïnformeerd worden (niet overtuigd worden)
Waarom wil de leerling dit ?
Onze maatschappij is een open gemeenschap geworden, waarin we 24 uur per dag ons kunnen vermaken, onze contacten onderhouden en informatie inwinnen.
Deze openheid is doorgetrokken in onze persoonlijkheid.
Met name de jongeren, geboren na 1988 groeien op in een multiculturele samenleving met veel welvaart, commercie en een digitale informatiemaatschappij ( zie: Generatie Einstein van J.Boschma en I.Groen)
Wanneer je het onderwijs vergelijkt met het bedrijf, dan kun je stellen dat scholen deels producten ( = parate kennis/vaardigheden) aanbieden, waaraan geen (directe) behoefte is bij de klant (= leerling) (note )
Toch zijn ook deze producten van belang om te kunnen functioneren in de huidige- en toekomstige woon-werk- (en vrije tijds)omgeving. (note ).
Wat kan de leerling (nog) niet ?
- lange termijn denken ( note )
- een vaste mening, hobby of voorkeur hebben
- multitasken (wanneer volledige aandacht is vereist) (note)
- mediawijsheid (weten, hoe je bewust, kritisch en actief kunt bewegen in een gemedialiseerde wereld) ( note )
Hoe kan een school anticiperen op de behoefte van de leerling ?
De scheiding: gedwongen leren (formeel leren ) en vrije tijd (informeel leren) zal nog lang blijven bestaan. (note)
Welke factoren kunnen binnen het huidige schoolpatroon ertoe bijdragen om deze scheiding te verkleinen ?
1) Verwerken van informatie moet bestaan uit een mix van ¾ bekende stof en ¼ nieuw .
Nieuwe informatie moet worden ingebed in reeds bekende informatie.
Hierdoor blijft de nieuwsgierigheid gehandhaafd zonder het gevaar te lopen om op een zijspoor te geraken (note )
2) Alle leren moet contextgevoelig zijn. Zorg, dat de toepassingssituatie lijkt op de leersituatie. (associatief)
3) Leren is het meest effectief wanneer de lerende een concreet probleem moet oplossen (indien mogelijk in een samenwerkingsvorm)
4)Alle leren is gebaat bij succes.
Leren lukt beter als dat direct in praktijk kan worden gebracht door het uitvoeren van een succesvolle handeling.
5) een goede anticipatie van de docent op de behoefte van de leerling
Wat is de behoefte van een leerling ?
antwoord: veiligheid, succes, waardering( voor het product, voor de persoon). zie hiervoor de piramide van Maslow ( note)
Actief leren, starten vanaf bekend terrein, contextgericht leren, succeservaring, een sturende docent (die toch expert blijft op zijn gebied), doelgericht onderwijs, zijn thema's die ook in het constructivisme zijn te vinden (note )
Hoe tracht Arkelstein te anticiperen op de behoefte van haar leerlingen ?
Het Etty Hillesum lyceum Arkelstein, school voor praktijkonderwijs tracht de bovenstaande theorieën praktisch toe te passen,
door de leerling
- nieuwsgierig te maken (en houden)
- de opdrachten concreet te geven
- de opdrachten te geven in een mix van bekend en onbekend.
- te laten ervaren, dat zijn leren waardevol is, dat men trots is op zijn kennen/kunnen.
- opdrachten te geven , die afgestemd zijn op hun mogelijkheden.
enige voorbeelden:
1. beheren van een website "www.praktijkonderwijs.com" door leerlingen die affiniteit hebben met computers/internet. (zij controleren of de links op de site nog actief zijn / zij gaan op zoek naar nieuwe, zinvolle links) ------> intrinsieke motivatie (nieuwsgierigheid) en extrinsieke motivatie (zinvolle actie, want hun product is via internet te zien )
2. de leerlingen maken een stageverslag: op het internet staat het sjabloon (in powerpoint), In het sjabloon staan herkenbare vragen (bijv. "vul hier de begin- en eindtijden van je stagebedrijf in" ) maar laten ook mogelijkheid voor eigen inbreng (bijv. "maak foto's van het bedrijf of haal afbeeldingen van het internet"). ---------> extrinsieke motivatie(zinvolle activiteit,want het verslag komt op de schoolsite en is een informatiebron voor andere leerlingen) en intrinsieke motivatie (de leerling heeft de vrijheid om afbeeldingen van het internet of/en digitale camera te halen)
3. de leerlingen van Arkelstein krijgen 1 uur per week gerichte computerlessen.
In klas 1 wordt nog bewust gewerkt met een werkboek om de tekstverwerker te leren kennen. Het werkboek geeft de mogelijkheid om zelfstandig de onderdelen uit te voeren. De docent is controlerend, sturend aanwezig. ----> extrinsieke motivatie
In de daaropvolgende leerjaren komen meer zelfsturende programma's aan bod: muziekbewerken, foto's bewerken, presentaties maken, website maken. De programma's bevatten duidelijke instructiefilmpjes over de handelingen. Het uitwerken van opdrachten kan individueel of in groepen plaats vinden. ( zie "lessen" )
4. soms krijgen leerlingen de opdracht, moeilijke begrippen te verduidelijken m.b.v. een video-camera.
eerst gaan zij overleggen, hoe de begrippen het beste uitgelegd kunnen worden; daarna stellen zij een plan op; dan voeren ze het plan uit. (bijv. in de VCA module wordt gesproken over PBM [= persoonlijke beschermingsmiddelen]; leerlingen gaan onderzoeken en filmen, welke PBM's in het metaallokaal, houtlokaal en keuken worden gebruikt. )----> extrinsieke motivatie: de leerling levert een waardevolle bijdrage / intrinsieke motivatie: de leerling werkt zelfstandig aan een project en werkt met een camera.
Bovenstaande voorbeelden geven aan, dat Arkelstein tracht om de leerling niet alleen als consument te laten deelnemen, maar ook als producent. Tevens wordt aandacht besteed aan de "mentaliteit": de leerling dient zich te realiseren, hoe het product door de kijker wordt ervaren.
Deze omschrijving wordt ook wel aangeduid als "mediawijsheid". (note ) (zie ook verantwoording bij de lessencyclus:"foto's maken en bewerken ")
geraadpleegde literatuur:
|
note:
Hoe leert de huidige generatie leerlingen ?
Professor Wim Veen geeft een beschrijving van de generatie leerlingen, die met het internet is opgegroeid. Hij noemt deze generatie de "homo zappiens" .
Veen noemt een aantal (deels overlappende) vaardigheden die de "Homo Zappiens" zich aanleert m.b.v. de bestaande multimedia:
- l Iconische vaardigheden: het beoordelen van informatie niet alleen op basis van de betekenis van tekst, maar ook op die van andere signalen (iconen, symbolen, kleuren, …). Deze vaardigheid is van groot belang om met grote hoeveelheden (multimediale) informatie om te gaan.
- l Multitasking: waarbij kinderen hun aandacht verdelen over verschillende informatiebronnen tegelijk, en deze aandachtsniveaus aanpassen zodra die informatiebronnen dat nodig maken. Deze vaardigheid helpt hen te concentreren op wat op enig moment het meest belangrijk is.
- l Zapping: waarbij kinderen in staat zijn uit discontinue informatie de belangrijke elementen te herkennen en op basis daarvan de betekenis van het geheel te bepalen. (En dat voor meerdere kanalen tegelijk.) Deze vaardigheid om structuren en concepten te herkennen helpt hen overzicht te houden en informatie-overload te voorkómen.
- l Niet-lineair gedrag: kinderen zijn gewend beelden tot zich te nemen (en dus niet alleen lineaire teksten) en hebben daardoor de vaardigheid om onderzoekend en niet-lineair door informatie te gaan en toch de betekenis te bevatten. Dit is alleen mogelijk omdat zij ook in staat zijn zoek‑ en leerdoelen te definiëren.
- l Samenwerking: Homo Zappiens is gewend om problemen op te lossen samen met anderen, door een beroep te doen op leden van een (wereldwijde) virtuele community, waarbij het niet uitmaakt of ze iemand fysiek hebben ontmoet.
Elk van deze vaardigheden is van groot belang in de samenleving van de toekomst, een kennisintensieve diensteneconomie, die vraagt om flexibiliteit, creativiteit en ondernemerschap in mensen
top
|
note:
uit : Het Puberende brein . Eveline Crone / 2008)
Bij de puber maken de hersenen een groeispurt door; de intellectuele en emotionele ontwikkelingen lopen nog niet parallel. Het gevolg is dat het kind dat heel volwassen kan lijken, meestal niet verder kijkt dan zijn neus lang is. Het kiest bij voorkeur voor winst op de korte termijn. In de praktijk betekent dit dat een avondje met vrienden voorrang krijgt op een een proefwerk leren. Dat slechte cijfer komt immers later pas.
En wie een puber voorhoudt dat hij putjesschepper wordt als het niet leert, vangt dus ook bot. De puber denkt niet aan de gevolgen op de lange termijn.
Een veertienjarige vragen, met zijn zakgeld uit te komen, heeft geen zin.
top
|
note :
Mag je alleen "leerlingen" benoemen als klant van een school?
Volgens mij zijn ook ouders, bedrijven, instellingen en het ministerie van OCW, de klanten van school.
M.n. deze klantengroepen waarschuwen voor een gemis aan parate kennis/vaardigheden, wanneer de visie van prof. Veen (zie note 3)
de boventoon gaat voeren.
top
note:
Parate kennis/vaardigheden zijn nodig om adequaat te kunnen handelen in diverse (onverwachte) situaties, bijvoorbeeld: autorijden/ werken met vluchtige stoffen/ vervoer van gevaarlijke stoffen (transport/magazijn)/ verstrekken van eerste hulp (iedere burger) / aanleg van electrische leidingen(installateur)/ toedienen van juiste medicijnen in juiste hoeveelheid (verpleging).
Dit impliceert dat oefenen, herhalen, nodig blijven. !!
uit: Prima online (25-8-2009)
Meer dan de helft van de ouders meent dat het huidige onderwijs niet het uiterste uit kinderen haalt. Slechts 5 procent vindt dat het echt goed gaat; de rest is minder enthousiast. Dat blijkt uit onderzoek van maandblad J/M voor ouders .
Scholen moeten strenger, ordelijker en gedisciplineerder zijn. Zo ziet 80 % graag de strenge, maar rechtvaardige docent terug in de klas.
Volgens 61 % zou het helpen als leraren zich niet meer bij de voornaam laten noemen en 56 % van de ouders pleit voor het herinvoeren van strafregels. Ruim eenderde vindt dat de school van hun eigen kind te soft optreedt tegen pesters en grote monden. Volgens de meeste ouders worden hun kinderen zeker niet overvraagd. Dat de druk om te presteren te groot is, vindt 60 % dan ook "onzin".
uit Trouw (18 dec. 2009): Ouders zien het liefst een leraar met gezag voor de klas, iemand die streng grenzen stelt. Een goed band tussen docent en leerling vinden zij minder belangrijk.
Leraren menen juist dat zij dicht bij hun leerlingen moeten staan. Dat blijkt uit de Grote Opvoedtest van Trouw waarin 2300 docenten uit basis- en voortgezet onderwijs en 5500 ouders aangaven hoe zij hun rol in de opvoeding zien.
Uit het onderzoek van dagblad Trouw blijkt veerder dat meer dan de helft van de ondervraagde docenten zichzelf "tolerant"vindt. Zij hebben een sterke bande met hun leerlingen. Bijna een derde van de leraren ziet de tolerante leraar ook als ideaalbeeld, tegenover slechts acht procent van de ouders.
top
|
Wat is informeel leren ?
Informeel leren vindt plaats zonder tussenkomst van een organisatie (onderwijsinstelling, werkgever). Informeel leren omvat alle leeractiviteiten, die niet georganiseerd plaatshebben. En dat zijn er nogal wat. Het blijkt uit een grootschalig onderzoek van de Amerikaanse Overheid dat 80% van het leren binnen organisaties informeel is,
tegenover 20% formele leeractiviteiten.
Enige voorbeelden van leren, die ook informeel kunnen zijn :
· Oefenen en herhalen
· Reflectie (op kennis, vaardigheid, mentaliteit - zie : "mediawijsheid")
· Observatie en kopiëren ( bij formeel leren ook weleens "afkijken" genoemd)
· Samenwerken (zie punt 5: "homo zappiens")
top
|
note 1:
Wat is motivatie ?
Motivatie = een gedrevenheid om energie te investeren in een actie die leidt tot een doel.
Wat kan dit doel zijn ?
- het bevredigen van je nieuwsgierigheid
- waardering en erkenning krijgen
voorbeelden intrinsieke / extrinsieke motivatie
Ik wil een scooter rijden / dus ik moet leren, hoe de scooter start, hoe je schakelt, hoe de scooter onderhouden moet worden enz. |
Je moet ook de theorie beheersen en bewijzen dat je rijvaardig bent / dus je moet verkeersregels leren en praktisch oefenen bij de rijschool. |
Ik wil filmpjes op You Tube zetten / ik ga zoeken hoe dit moet. |
Je moet je realiseren, dat dit filmpje (oorzaak), reacties kan oproepen (gevolg) (mediawijsheid). |
Ik wil timmerman worden / ik weet dat ik veel moet oefenen met diverse gereedschappen en materialen |
Je moet leren, wat de mogelijke gevaren zijn in je beroep (behalen van een VCA certificering). Je moet berekeningen kunnen maken. |
top
note :
Nieuwsgierigheid = het verlangen om iets te weten of waar te nemen.
We kennen nog het succes van Big Brother, De Gouden Kooi.
Ook You Tube wekt nieuwsgierigheid op. De kijker "gluurt" in andermans privéleven, blijft anoniem, én blijft fysiek op afstand. Tevens is de You Tube kijker niet alleen consument, maar hij kan ook producent zijn: filmpjes kun je downloaden, bewerken, en zelf plaatsen op You Tube.
Waardering = bevestiging, dat je waardevol bent voor je medeleerlingen, docent, ouders .
Via de piramide van Maslow is deze behoefte goed te zien als 4e laag.
.
Piramide van Maslow
In onze multiculturele samenleving hebben we te maken met Turkse, Marokkaanse jongeren.
Als school is het prettig, kennis te hebben van een "iets andere" waarderingsbehoefte bij veel Turkse en Marokkaanse leerlingen.
De piramide van Pinto geeft een goede uitleg: .
In de oriëntaals georiënteerde culturen (Turkije, Marokko) is , volgens Pinto, niet "zelfontwikkeling" het hoogste streven, maar "eer".
Eer betekent vooral een goede naam binnen de groep. Een goede naam heeft alles te maken met status: een goede (statusverhogende)baan, veel geld, kinderen die het goed doen op school, mooie auto, dure kleding, aanwezigheid binnen de kerk/moskee.

piramide van Pinto
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uit Prima Online 02-04-2010, Positieve emoties tijdens wiskundeles leiden tot hogere cijfers
Leerlingen die trots zijn en plezier beleven aan het vak, halen hogere cijfers bij wiskunde. Dat blijkt uit promotieonderzoek van onderwijskundige Wondimu Ahmed aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij onderzocht de emoties van brugklassers tijdens de wiskundeles.
Leerlingen die meer vertrouwen hebben in hun eigen wiskundekwaliteiten ervaren meer positieve emoties. De emoties nemen af in de loop van het schooljaar en nemen de negatieve emoties toe. In het onderzoek wordt dit verklaard door de herhaling van kennis van de basisschool, waardoor het vak nog vertrouwd aanvoelt.
Volgens het onderzoek kunnen docenten een rol spelen in het verhogen van positieve emoties en zelfvertrouwen van een leerling. Ook kunnen docenten het belang van het vak laten zien.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
persoonlijke ervaring:
op vrijdag, 15 -4-2011, moesten mijn leerlingen (klas 4, leeftijd 15,16 jaar), in het kader van hun vrije tijdsproject, weer een winkel of bedrijf bezoeken die producten verkocht rondom vrije tijd. Zij moesten vragen stellen aan de winkelier.
Om veel frustratie te voorkomen, had ik reeds vragen bedacht.
Mijn gedachte was: de leerlingen fietsen op deze mooie zonnige dag naar een zelf gekozen winkel (zij konden kiezen uit: mediamarkt, Telstart, ANWB, bibliotheek.) Na het stellen van de vragen en noteren van de antwoorden, konden zij naar huis (ook al was de schooltijd officieel nog niet beëindigd)
Toch bleef veel weerzin bestaan. Fietsen naar de winkels.....pfff....geen zin (ze wilden liever 2 uur iets voor zichzelf doen bij de pc).
Met enige dwang zijn ze toch gegaan.
Toen ik zelf aankwam bij het winkelcentrum, waren de leerlingen net klaar met vragen stellen. Zij gaven mij het vragenformulier.
Ik stelde voor: "hebben jullie zin in een ijsje?"
Deze vraag werd door niemand negatief beantwoord. We hebben plaats genomen bij La Place en de leerlingen genoten van iets verfrissends.
15 minuten, nadat we van elkaar afscheid hadden genomen, twitterde een leerling: "meneer, bedankt voor de cola was wel gezellig vandaag Fijn Weekend ".
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
citaten:
Prof. Luc Stevens :"de resultaten van leerlingen zijn een weerspiegeling van de verwachtingen van leraren".
Prof Monique Boekaerts: “Emoties zijn de brandstof van het leren”.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Leerlingen herkennen meteen fake leraren (april 2011)
| |
|
Nieuw onderzoek toont welke criteria jongeren gebruiken om hun leraren als ‘authentiek’ te beschouwen.
Leerlingen verwachten van hun leraren dat ze hun vak kennen. Dat is het belangrijkste criterium om een leraar als ‘authentiek’ te beschouwen. De lessen mogen leuk en aangenaam zijn, maar de jongeren willen vooral bijleren in de klas. Ze vinden hun leraren ook geloofwaardig als die vol passie lesgeven en als ze zichzelf blijven in de klas. Toch verwachten ze dat hun leraren voldoende afstand bewaren. School is voor jongeren duidelijk anders dan de jeugdbeweging. Dat blijkt uit nieuw onderzoek dat het onderwijsblad Klasse deze week publiceer |
In het onderzoek ‘Is dat echt’ aan de Arteveldehogeschool onderzochten Pedro De Bruyckere en Tom Vermeylen welke criteria jongeren uit het vierde, vijfde en zesde secundair gebruiken om hun leraren of begeleiders als authentiek te beschouwen. Het belang van authenticiteit in onze maatschappij, en zeker bij jongeren, neemt immers alleen maar toe. Jongeren selecteren hun informatiebronnen op basis van het gehalte aan authenticiteit. Wie of wat authentieker overkomt, is geloofwaardiger. Dus pikken ze de fake leraren er makkelijk uit
Vakkennis
Uit het onderzoek blijkt dat leerlingen hun leraar ‘een echte’ vinden als hij zijn vak kent. Ze verwachten geen entertainment in de klas, ze willen bijleren. Dat kan als de leraar zijn klas in de hand houdt, weet waarover hij praat en dat helder kan overbrengen op zijn leerlingen.
Passie
Leerlingen appreciëren het ook enorm als ze het gevoel krijgen dat hun leraar leeft voor zijn vak, bevlogen is en het leuk vindt om les te geven. Ze vinden afwisseling in didactische werkvormen niet zo belangrijk. Ze waarderen het wel als hun leraar lesgeeft op de meest efficiënte en effectieve manier.
Uniciteit
Een ‘echte’ leraar is uniek als hij zichzelf is in de klas, bij zijn eigen standpunten blijft en zich consequent gedraagt. Leerlingen waarderen het dat hun leraar zijn stempel drukt op de aanpak van zijn lessen én de omgang met zijn leerlingen. Opvallend is dat ze vinden dat een leraar gezag moet hebben en zijn grenzen moet stellen. Belangrijk is voor hen ook wederzijds respect.
Afstand
Opvallend: leerlingen verwachten van hun leraar dat hij interesse toont voor hun leefwereld, maar ook dat hij de nodige afstand bewaart. Ze vinden hun leraar ‘authentiek’ als hij hen apart neemt bij problemen, maar willen tegelijkertijd niet dat hij hun vriendje wordt op Facebook. School verschilt daarin duidelijk van de jeugdbeweging of de sportclub. Daar willen jongeren wel dat hun begeleiders vrienden zijn.
BRON - http://www.klasse.be/blog/leerlingen-herkennen-meteen-fake-leraren/248
|
top
|
note 7:
bron: https://www2.kuleuven.be/tiki/tiki-index.php?page=het+constructivisme
bron: http://www.tsmconsultants.nl/content.php?Article_id=118
Constructivisme heeft wortels in de filosofie, psychologie, sociologie en het onderwijs.
De centrale idee van het constructivisme is dat het menselijke leren wordt geconstrueerd, dat de leerlingen nieuwe kennis op de fundamenten van het eerder geleerde bouwen. Deze visie op het leren staat scherp tegenover een visie die het leren ziet als een passieve transmissie van informatie van één individu aan een ander, een visie waarin de ontvangst, niet de constructie, zeer belangrijk is.
Twee belangrijke opmerkingen cirkelen rond het eenvoudige idee van geconstrueerde kennis. Als eerste construeren de leerlingen nieuwe kennis met behulp van wat zij al weten. Er is geen tabula rasa waarop de nieuwe kennis wordt geëtst. Eerder, komen de leerlingen tot leersituaties met behulp van kennis die uit vroegere ervaring wordt opgedaan. Die vroegere kennis beïnvloedt welke nieuwe of gewijzigde kennis zij zullen construeren vanuit de nieuwe leerervaringen.
De tweede opmerking is dat leren, eerder dan passief, actief is. De leerlingen confronteren hun huidige kennis met wat zij in de nieuwe leersituatie ontdekken. Als wat ze ontdekken inconsistent is met hun huidige kennis, kunnen ze hun kennis aanpassen. De leerlingen blijven actief doorheen dit proces: zij passen huidige kennis toe, nemen nota van relevante elementen in nieuwe leerervaringen, beoordelen de consistentie van vroegere en nieuwe kennis, en gebaseerd op dat oordeel, kunnen zij kennis wijzigen.
Constructivisten geloven dat kennis tot stand komt wanneer mensen hun eigen betekenis construeren vanuit hun ervaringen, achtergrond en houdingen.
Constructivisme kan implicaties voor het onderwijs hebben. Constructivisme zal vaak in deze context gezien worden.
- Eerst, kan het onderwijzen niet als een transmissie van kennis worden bekeken. Eerder, handelen de leraren als "gidsen aan de kant" die de studenten van kansen voorzien om de geschiktheid van hun huidige kennis te testen.
- Ten tweede, het leren is op vroegere kennis gebaseerd. Dit daagt leraren uit, want zij kunnen niet veronderstellen dat alle kinderen iets op dezelfde manier begrijpen. Verder, kunnen de kinderen verschillende ervaringen op verschillende niveaus nodig hebben om kennis te kunnen ontwikkelen.
- Ten derde, als de studenten hun huidige kennis in nieuwe situaties moeten toepassen om nieuwe kennis te bouwen, dan moeten de leraren studenten stimuleren tot leren, zodat hij de huidige kennis van studenten aan het licht brengt. De leraren kunnen ervoor zorgen dat de leerervaringen problemen bevatten die voor studenten belangrijk zijn, en de ervaringen die voor leraren en het onderwijssysteem hoofdzakelijk belangrijk zijn, achterwege worden gelaten. De leraren kunnen groepsinteractie ook aanmoedigen. De interactie zorgt ervoor dat de studenten hun kennis kunnen verwoorden door deze te vergelijken met de kennis van de anderen.
- Ten vierde, als de nieuwe kennis actief wordt opgebouwd, dan is er tijd nodig om het op te bouwen. De ruime tijd vergemakkelijkt een goede reflectie op nieuwe ervaringen en het vergelijken van die ervaringen met de huidige kennis.
Als het leren volgens het constructivisme een constructief proces is, en een instructie moet worden ontworpen, welke praktijken (trainingen) voor een professionele ontwikkeling kunnen leraren dan aanzetten om leerling-gecentreerd te onderwijzen?
Je moet je ervan bewust zijn dat de constructie tijdens het leren niet alleen het domein van kinderen maar van leerlingen, alle leerlingen is. De constructivistische professionele ontwikkeling biedt leraren tijd om hun visie expliciet te maken over
1. het leren (b.v., is het een constructief proces?), van
2. het onderwijs (b.v., is een leraar orator of facilitator, en wat houdt het begrip leraar in?), en
3. hun professionele ontwikkeling (b.v., is het leren van een leraar ook constructivistisch?)
Voorts biedt dergelijke professionele ontwikkeling mogelijkheden voor leraren om hun kennis te testen en nieuwe kennis op te bouwen. Het aanleren van zulk een leerling-gecentreerd onderwijs kan men niet leren via workshops. Een systematische, lange termijnontwikkeling die praktijk toestaat - en bezinning over die praktijk - wordt vereist.
Het is ook nuttig om de stelregel van de opvoeder te herinneren, namelijk leraren onderwijzen zoals ze zelf onderwijs hebben genoten en niet op de manier zoals hen is gezegd les te geven. Het is niet goed dat trainers enkel nieuwe manieren van onderwijzen beschrijven en van leraren verwachten dat zij het geleerde vertalen in actie; volgens de constructivistische professionele ontwikkeling is het echter efficiënter om leraren te stimuleren tot activiteiten die zullen leiden tot nieuwe acties in klaslokalen.
Constructivisme vertegenwoordigt één van de grote ideeën in het onderwijs. De implicaties voor hoe de leraren onderwijzen en leren onderwijzen zijn enorm. Tot op heden, kan de nadruk op het leerlinggecentreerd leren de belangrijkste bijdrage van het constructivisme zijn.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het sociaal constructivisme
Het sociaal constructivisme is een moderne leertheorie die ervan uitgaat dat mensen zelf betekenis verlenen aan hun omgeving en dat sociale processen hierbij een prominente rol spelen. Kennis wordt door ieder mens op een eigen wijze geconstrueerd, waarbij men sterk wordt beïnvloed door de reacties en opvattingen in de sociale omgeving.
In de vertaling van het sociaal constructivisme naar de dagelijkse lespraktijk vormt het leren als een sociaal proces het uitgangspunt.
'Leren is een WERKwoord'
Belangrijke argumenten om leerlingen zoveel mogelijk hun eigen leren te laten vormgeven komen voort uit de constructivistische leertheorieën. De centrale aanname van de constructivistische theorie is dat het verwerven van kennis en vaardigheden niet zozeer het gevolg is van een directe overdracht van kennis door de docent, maar eerder het resultaat van (constructieve) denkactiviteiten van de leerlingen zelf: we leren door nieuwe informatie te verbinden aan wat we al weten (voorkennis).
In de constructivistische opvatting moeten de leerlingen de informatie zo ordenen dat die voor hen relevant en bruikbaar is. Het aandeel van de docent dient te bestaan uit het scheppen van optimale omstandigheden voor het leerproces. De docent stimuleert, biedt een heldere structuur en gaat na of de leerlingen de aangeboden informatie ook werkelijk opgenomen hebben.
De onderwijsconcepten van TSM Consultants zijn gebaseerd op de (sociaal) constructivistische opvattingen over leren. Het leerproces kan gestuurd worden door taken die de leerlingen in de gelegenheid stellen om op een constructivistische wijze kennis en vaardigheden te verwerven en te verwerken.
De Vijfhoek
Bij het vormgeven van taken en lessen zijn er vijf ijkpunten:
- de leerlingen moeten actief zijn: zij moeten iets doen om de leerstof te verwerken;
- de leerlingen moeten constructief zijn: zij moeten de nieuwe kennis zelf construeren, d.w.z. uitdiepen en verbinden met de aanwezige voorkennis. Op deze manier ontstaat nieuwe kennis;
- de leerlingen moeten doelgericht met de kennis omgaan: het leren levert succeservaringen op als leerlingen een (bereikbaar) doel voor ogen hebben;
- de leerlingen moeten samen (coöperatief) bezig zijn met het verwerven en verwerken van kennis en het ontwikkelen van vaardigheden. Leren is een sociaal proces. Elkaar uitleg geven blijkt de resultaten te verbeteren;
- de leerlingen moeten hun leerproces zelf kunnen reguleren. Sturing kunnen geven aan het eigen leerproces motiveert.
top
|
note :
bron: http://www.minocw.nl/mediawijsheid/index.html
Tv, mobiel, internet… dagelijks komen mensen met vele media in aanraking. Deze media kunnen van grote invloed zijn. Het is daarom belangrijk dat burgers kritisch naar media leren kijken en er goed mee kunnen omgaan. Burgers moeten voldoende toegerust zijn om de kansen van media volop te benutten. Daarnaast kunnen zij zich dan ook beschermen tegen mogelijke bedreigingen en gevaren die van media uit kunnen gaan. De kennis, vaardigheden en mentaliteit die hiervoor nodig zijn, noemen we ‘mediawijsheid’.
top
( zie: www.gortzen.eu/serious games/index.html )
Het bedrijfsleven en de publieke sector gebruiken reeds veelvuldig games voor leerdoeleinden. Het onderwijs begint langzaam ook de waarde van serious games in te zien.
Met "serious games" bedoel ik: spellen die via interactie, informatie en/of vaardigheden aanbieden.
Welke "serious games" zijn er ?
voor onze school heb ik 4 categoriën gemaakt:
1. managementgames (je laat zien, dat je kunt organiseren met behulp van beschikbare middelen)
2. puzzelgames (je lost een probleem op door het herkennen van patronen/ analyseren)
3. constructiegames (je kunt iets nieuws bouwen van losse onderdelen / synthetiseren)
4. behendigheidsgames (je ontwikkelt een handigheid in oog-handcoördinatie, reactievermogen, inzicht)
Wat is de waarde van "serious games":
- deze games zetten aan tot nadenken, analyseren, verbanden leggen, doorzetten.
- deze games combineren leren en spelen ( "learn and fun")
- deze games houden de aandacht van de leerling lang(er) vast.
- deze games geven gespreksstof, ook buiten het klaslokaal.
- deze games geven de mogelijkheid, om van elkaar te leren.
- deze games geven de mogelijkheid, om via "trial and error" te leren.
- deze games bieden interactie.
Ook "gewelddadige"games zouden aan bovenstaande doelstellingen kunnen voldoen ('t is maar, wat je onder "vaardigheid" verstaat ).
Vanuit ons huidige standpunt over normen en waarden(bewust onderwijs), beperken wij ons bij de 4 categoriën duidelijk tot:
- spellen zonder buitensporig geweld
- spellen die aan de omschrijving van "serious games" voldoen
- spellen die te spelen zijn, zonder uitgebreide handleiding
- spellen die online gespeeld kunnen worden
- spellen die gemakkelijk zijn te openen en gemakkelijk zijn te sluiten
- spellen die geen restbestanden achter laten ( voor zover bekend )
[ normen = maatstaf, regel die verbinding vormt tussen algemene waarden en concreet gedrag ]
[ waarden = idealen en motieven die een samenleving nastreeft; bijv. gelijkheid, veiligheid, leefbaarheid, betrokkenheid ].
De rol van de docent zal niet meer zijn: de centrale informatieverstrekker, maar de coach die sturend, begeleidend aanwezig is.
Het spelaanbod, dat docenten en leerlingen van Arkelstein samenstellen en onderhouden, betekent niet, dat de gamesite wordt gebruikt als opvulmoment, maar:
- als aanvulling van bestaande lesstof
- als mogelijkheid, aan een doel te werken ( bijv: een automonteur moet een motoronderdeel herkennen en kunnen plaatsen; hij/zij moet kunnen analyseren; puzzelgames zijn bij uitstek geschikt om het analyseervermogen te ontwikkelen)
Arkelstein is een school voor Praktijkonderwijs. Het is daarom een uitgesproken kans voor de docenten, om
hun leerlingen via interactieve games, informatie/vaardigheden aan te bieden die zij (= de leerlingen) kunnen gebruiken in hun (toekomstige) woon-, werk-, en vrije tijdsomgeving.
Opzienbarende feiten over games (uit www.gamenisgoed.nl)
- De gemiddelde leeftijd van een gamer is 33 jaar oud.
- 48% van de gamers zijn vrouwen.
- 60% van de games wordt gespeeld met vrienden, 30% wordt samen met familie gespeeld.
- In Amerika speelt meer dan 60% van de bevolking videogames.
- In de leeftijd van 16-25 jaar wordt er meer tijd besteed aan het spelen van videogames dan aan het kijken naar televisie.
- Videogames zijn er voor iedereen; 94% van het aanbod is voor een breed publiek.
- Slechts 5% van de games is door expliciete inhoud alleen geschikt voor 18+.
- De gamesindustrie hanteert het eigen strenge PEGI advies; een leeftijdsaanduiding zodat ouders weten vanaf welke leeftijd een game veilig kan worden gespeeld. Zie ook www.weetwatzegamen.nl.
- De gamesindustrie is groter dan de muziekindustrie.
bronnen:
http://nl.odemagazine.com/doc/0089/als-the-sims-huiswerk-wordt/
http://www.gamelearning.nl/marketing.php?id=5
Vives 85 (mei 2008) : gamen is leren
http://nl.wikipedia.org/wiki/Normen_en_waarden
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De Volkskrant
05/03/11, 00:00
Scholieren die door hun docent gamend worden aangetroffen, worden hiervoor in de regel gestraft. Scholen doen er beter aan hun digitale vaardigheden te benutten.
De Wet van Moore stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door de technologische vooruitgang elke 2 jaar verdubbelt. Dit betekent in de praktijk dat computers bij gelijkblijvende prijzen iedere twee jaar dubbel zo snel worden. Gordon Moore is een van de oprichters van de chipfabrikant Intel. Hij formuleerde deze wet in 1965, en de wet geldt vandaag nog steeds. Sterker nog: deze exponentiële groei gaat zèlf steeds sneller. Op dit moment worden de computers per jaar dubbel zo snel. Bij een exponentiële groei 'explodeert' de groei op een gegeven moment. Wij mensen gaan meestal uit van lineaire ontwikkelingen: de ontwikkelingen van vandaag zullen wel sneller gaan, maar op een kalm en te overzien tempo. Dat is een misvatting wanneer het over de groei van de rekenkracht gaat. We bevinden ons in een revolutie, niet in een evolutie.
De exponentiële groei van de computerkracht zien we terug op alle terreinen waar computers een grote rol spelen. De ontwikkeling van het aantal internethosts, de acceptatiesnelheid van nieuwe media, de explosieve groei van Wikipedia, Facebook, Twitter.
Maar er zijn ook exponentiële ontwikkelingen op wetenschapsgebieden als nanotechnologie, gentechnologie en scantechnologieën. Tien jaar geleden duurde het vijf jaar en kostte het een miljard voordat men het DNA van een mens had gesequenced, tegenwoordig kan het voor een paar duizend dollar in een paar dagen. Men is in hoog tempo bezig om alle technologieën die we hebben te verkleinen. Er komen medicijnen en apparaten op nano-afmetingen. Onlangs heeft een robot, Watson van IBM, de mens verslagen bij het spel Jeopardy. Dat is een variant op de Turing-test, de beroemde test die bepaalt wanneer de computer niet meer te onderscheiden is van een mens. Over een tijd hebben we die supercomputer allemaal in onze mobiele telefoon. Wat gaat het onderwijs daarmee doen?
Ik geef les op een middelbare school in Eindhoven. De regio Eindhoven werd 20 januari door het Intelligent Community Forum (ICF) uitgeroepen tot één van de zeven slimste regio's ter wereld. Mijn collega's en ik werden hierdoor verrast. Onze schoolleiding was zich er niet van bewust. Ook de vereniging waartoe de school behoort, heeft hier niet op gereageerd. De minister is er ook niet mee bezig. Hoe kan het toch dat de wereld zo snel verandert, en het onderwijs achterblijft?
Zelfs de leerlingen halen ons links en rechts in. Ze leren thuis programmeren, websites bouwen, zich verenigen in sociale netwerken, spelen uren games en met Blackberry's, verwerken grote hoeveelheden informatie, terwijl wij moeizaam een digibord leren hanteren. Leerlingen leren hun docenten wat twitteren is. Docenten in de talen weten de vertaling van een woord niet, terwijl de leerling het al gevonden heeft op zijn iPhone. Wij straffen die leerling: hij is in overtreding. We lijken op kikkers in een pan water die aan de kook raakt: we springen er niet uit. Toch is het volgens mij de hoogste tijd dat we een sprong gaan maken.
Computers moeten snel een veel grotere rol in het onderwijs gaan spelen.
Deze stelling is mijns inziens niet eens een echte stelling: computers gáán die rol gewoon spelen. De vraag is alleen hoe snel het onderwijs daarop inspringt, of dat het onderwijs er alleen nog maar achteraan bungelt. De bottleneck zal geld, tijd en scholing voor de docenten zijn. Ook de houding van docenten moet veranderen. Op ieder vakgebied (talen, zaakvakken, exacte vakken) groeit het kwalitatief hoogwaardige aanbod op internet snel. En dat houdt niet alleen in dat er meer informatie komt. Kijk naar het filmpje van Wolfram op TED.com over het leren van echte wiskunde. Op wolframalpha.com kunnen leerlingen wiskunde, scheikunde, natuurkunde en biologie toepassen in plaats van alleen maar algebra te reproduceren. Talen zouden vertaalprogramma's moeten betrekken bij hun onderwijs. De mobiele telefoons die directe spraak vertalen zijn er al. Ifyoucan't beat them, jointhem. Kijk kritisch met je sectie naar het beste op ict-gebied binnen je vakgebied, en ga daarmee spelen, samen met de leerlingen.
Douglas Ruskoff, de Amerikaanse mediatheoreticus, schrijft in zijn laatste boek: programmeer of word geprogrammeerd. Dat is misschien wat overdreven, maar de komende generaties moeten meer macht over computers krijgen en houden. We moeten niet afhankelijk worden van de computer of programmeurs, maar zelf heer en meester van het hulpmiddel blijven.
Dat kan alleen als we enige kennis over het apparaat hebben. Kinderen kunnen op verschillende niveaus hun eigen programma's schrijven en zo hun wereld vormgeven. Na het tijdperk van de verlichting is het nu de tijd van de computerisering: we zijn allemaal de baas over informatie, geen knechten van die informatie. Leerlingen moeten meer les krijgen over de geschiedenis van de computer en internet, over de ontwikkelingen ervan en over de toepassingen ervan.
De computer en het web gaan een veel grotere rol spelen, dus moeten de debatten over de techniek en het gebruik daarvan ook groeien. Enige kennis over de politiek is voor een democratie van belang. Enige kennis over de computer is in de computerwereld van belang. Kunstmatige Intelligentie (KI) en robotica komen eraan. Wat willen we ermee? Die vraag kan niet alleen door volwassenen van nu worden beantwoord. De mensen van de toekomst moeten op het beantwoorden ervan worden voorbereid. Zij zullen huisrobots hebben. Zij zullen met KI gaan werken. Waar is het eindexamen computer en robotica? Filosofen, theologen, sociologen, psychologen moeten invulling geven aan het echte debat over de toekomst: wat doen we met de computers?
Niemand kan in zijn eentje zo'n ommekeer bewerkstelligen. Mijn school kan dit niet in haar eentje ontwikkelen in Eindhoven. De vereniging van mijn school gaat het niet alleen ontwikkelen in Brabant. De minister doet het ook niet. Om de leerkrachten nu in beweging te krijgen, dienen scholen en ministers quota in te stellen en plannen te maken over de zeer nabije toekomst. De wet van de remmende voorsprong moet worden overwonnen.
Scholen moeten worden gedwongen om de computer en het computergebruik een centrale plek te geven bij de lessen, toetsen of eindproducten van de leerlingen. Laat leerlingen in groepen samen complexe opdrachten uitvoeren met behulp van computers en softwareprogramma's en laat ze zelf computertoepassingen en -programma's bouwen.
De fabriekachtige manier van kennisoverdracht is uit de tijd. Voor een deel zal die wellicht blijven bestaan, maar leerlingen blijven niet aardrijkskundige begrippen van buiten leren of kenmerken van de Renaissance wanneer ze zulke krachtige hulpmiddelen hebben. Daag ze uit met complexe opdrachten. Leerlingen emanciperen zich met behulp van de techniek. Wij proberen ze af te remmen.
Ik zie de minister deze dwang nog niet toepassen. Ook de school gaat dit niet doen. De docent en de leerling zullen zelf gewoon moeten beginnen.
Wil Nederland een echt kennisland worden, dan moeten de docenten worden bijgeschoold. Dat is net zo van belang voor Nederland als ons Deltaplan. Zoek samenwerking met ingenieurs en technici uit het bedrijfsleven, specialisten uit de overheid en de scholen. De leerlingen willen maar al te graag leren. Maar het heersende leermodel wordt saai gevonden, schools en los van hun werkelijkheid.
Dwing docenten tot echte innovatie en functionele kennisoverdracht. Een weg hierheen ligt misschien verborgen in wat vaak als de vijand van de school wordt beschouwd: games. Leerlingen op mijn school krijgen corvee wanneer ze gamend worden aangetroffen. Maar games kunnen iets wat het onderwijs vaak niet kan: miljoenen mensen miljoenen uren boeien met in wezen onnozele handelingen. Die aantrekkingskracht moeten we in het onderwijs gaan toepassen: we moeten onderwijsgames bouwen. Wanneer het onderwijs dat niet doet, zal de game-industrie ons uiteindelijk overnemen.
Er zullen meer en meer geavanceerde leergames op de markt komen die het traditionele onderwijs wegduwen. De enige manier om te overleven, is om die gamesindustrie niet te verachten maar te omarmen. En alleen maar negatief is gamen zeker niet: er wordt samengewerkt, er wordt Engels geleerd, er wordt heel veel informatie verwerkt. Het beloningssysteem is bovendien geraffineerd: leerlingen krijgen constant beloning, zien hun status steeds groeien, via kansberekening blijft de game interessant. De inhoud moeten wij erin stoppen. Waar wachten we nog op?
De Persgroep Publishing. Alle rechten voorbehouden.
top |
multitasken, een begrip uit het betoog van professor W.Veen, hoe leerlingen in onze zapcultuur leren.
Wat is multitasken volgens W.Veen:
"Multitasking: waarbij kinderen hun aandacht verdelen over verschillende informatiebronnen tegelijk, en deze aandachtsniveaus aanpassen zodra die informatiebronnen dat nodig maken. Deze vaardigheid helpt hen te concentreren op wat op enig moment het meest belangrijk is."
Kan ons brein hetzelfde als een computer: opsplitsen van meerdere processen of taken tegelijk ?
Volgens Joseph Hallinan (auteur van "uitglijers") is de winst, die we met multitasken denken te maken, vaak denkbeeldig. Dat komt doordat
1)het brein trager gaat werken als het meerdere taken tegelijk moet vervullen.
2)Heen en weer schakelen tussen taken heeft ook tot gevolg dat we vergeten, wat we aan het doen waren of van plan waren te doen. Ons werkgeheugen is het oude probleem snel vergeten (soms binnen 15 seconden) nadat we over een nieuw probleem zijn gaan nadenken.
3)Daarna ontstaat weer een dode tijd, wanneer we aan het oorspronkelijke probleem gaan werken.
Bekende multitask-problemen zijn:
- autorijden en mobiel bellen
- autorijden en de straatnaam intikken op je navigatiesysteem.
Afname van het reactievermogen is al merkbaar vanaf 40 jaar.
Maar hoe zit het dan bij de jongeren die opgroeien in een zapcultuur?
Socioloog Judith Lieftink leidt voor YoungWorks het onderzoek naar hoe jongeren met de sociale media omgaan.
Zij verwijst naar rapporten waaruit blijkt dat het brein pas rond het 25e levensjaar is volgroeid. Tot die tijd is het moeilijker om zaken te verbinden en staat ook het concentratievermogen op een lager pitje.
voorzichtige conclusie: wanneer we ervan uit gaan, dat "verbindingen leggen tussen diverse informatiebronnen" en "volledige aandacht" tot het 25e levensjaar nog onvolledig ontwikkeld is, dan is het bestaan van een zapcultuur te begrijpen.
Via zappen krijg je: veel vluchtige informatie binnen kort tijdsbestek.
Bovenstaande informatie maakt tevens begrijpelijk, dat jongeren tot 23 verantwoordelijk zijn voor veel verkeersongelukken.
(in het verkeer is "volledige aandacht" vereist).
notitie:
De overdaad aan informatie heeft ons weer een nieuw begrip opgeleverd.
Rosa-Maria Koolhoven, werkzaam voor het bureau voor jongerencommunicatie YoungWorks introduceerde de term "infobesitas".
( vraatzucht naar steeds meer informatie, die je helemaal niet nodig hebt).
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
(deel uit de colum van Jan Lepeltak , waarin hij Nicolas Carr's boek "the shallows" bespreekt : passen onze hersenen zich aan, wanneer omstandigheden (bijv. opkomst van het internet) zich wijzigen ?
Vives nr. 114 april 2011)
Ondiepe wateren: internet en onze hersenen
Kunnen we als homo zappiens meer met ons brein dan vroeger? Of wordt het wel meer, maar ook oppervlakkiger? Kunnen we door veelvuldig webgebruik nog wel een stevig boek lezen? Wat doet internet met ons brein? Dat zijn belangwekkende vragen, zeker voor het onderwijs.
Enkele maanden geleden las ik het boek The shallows. What the internet is doing to our brains van de Engelse auteur Nicholas Carr. Carr was onlangs in Nederland voor de presentatie van de Nederlandse vertaling van zijn boek. Carr geeft een persoonlijke impressie van wat de negatieve effecten van internet zijn op hem en zijn brein en zoekt daarvoor bewijzen in de wetenschap. Kerneigenschap van ons brein is de door neurowetenschappers ontdekte plasticiteit van dat brein. Dat betekent dat ons brein zich na verloop van tijd aanpast aan ingrijpende gewijzigde omstandigheden. Bepaalde neurocircuits verzwakken en nieuwe ontstaan. Na een beschadiging door bijvoorbeeld een hersenbloeding nemen andere delen van de hersenen bepaalde functies [spreken, lopen etc.] wonderwel over. Maar wat ook geldt is: ‘If you don’t use it, you lose it’. Denk aan onze spieren. Sommige van onze mentale vaardigheden [zoals geconcentreerd lezen] gaan volgens Carr door gebrek aan oefening sterk achteruit doordat de verantwoordelijke neurologische circuits in onze hersenen verzwakken [ te weinig oefening]. Een door Carr geciteerde Amerikaans onderzoeker vraagt zich af of hij nog in staat is Tolstoy’s Oorlog en Vrede te lezen. Andere mentale activiteiten, zoals multitasken en het lezen van louter hypermedia-teksten eisen daarbij hun ruimte in onze hersenen op. Survival of the busiest wordt het ook wel genoemd.
top |
uit: "Generatie Einstein"
Voor de babyboomers (geboren tussen 1945-1955) en generatie X'ers (geboren tussen 1960-1985) is internet vooral een middel om informatie te verkrijgen; voor de generatie Einstein (geboren na 1985) is internet in de eerste plaats een ontmoetingscentrum zonder openingstijden.
top |
bronnen:
-Nieuwsgierigheid (auteur: Roland van der Vorst)
-http://elearning.surf.nl/e-learning/boekenensites/3743(Homo Zappiens van prof. W.Veen)
-http://www.ikmagazine.nl/downloads/ik0404p14-19.pdf (de effectieve leeromgeving van Henk Bruyne)
-http://www.denboer4u.nl/eelco/Transfer%20van%20kennis.htm#kennis (over begrippen "kennis en leren")
-http://www.klasse.be/archief/index.php?op=archief&nr=6370 (leraren en leerlingen motiveren elkaar)
-http://www.xs4all.nl/~wjsn/tekst/watisleren.htm
-Praxis no.6 (februari 1998) (aspecten van een pedagogisch klimaat)
-http://www.cultuur.nl/files/pdf/advies/200507140938420.med-2005.02498-1.pdf ("mediawijsheid")
-http://www.managersonline.nl/weblog/269/leren-in-de-praktijk-door-af-te-kijken.-zeven-tips-voor-professionals..html (informeel leren)
-Het nieuwe leren (auteur: Hans van Dijck) Development consult 24 april 2005 (invalshoeken van het leren)
-Virtuele ontwikkeling van de jeugd (Dr.M.Delfos) 9 sept. 2008 ( de invloed van tv, internet, tijdens de hersenontwikkeling)
-Een kijkje onder de hersenpan (S.Barneveld) didaktief nr.9 nov. 2008
-https://www2.kuleuven.be/tiki/tiki-index.php?page=het+constructivisme (constructivisme : een visie op het leren)
-http://www.tsmconsultants.nl/content/php?Article_id=118 (de constructivistische gedachte in het leerproces)
-Generatie Einstein (auteurs J.Boschma en I.Groen) maart 2009 ( communiceren met jongeren in de 21e eeuw)
-Uitglijers; waarom we fouten maken en hoe we ze kunnen voorkomen (Joseph Hallinan ; Scriptum psychologie 2009)
-Trouw, 18 december 2009
top
|
segmentatie:
DEFINITIE - Het proces, waarin op basis van één of meer kenmerken, homogene groepen klanten (segmenten) worden vastgesteld en klanten aan deze segmenten worden toegewezen.
lineaire segmentatie = leeftijd vormt de homogene groep
verticale segmentatie = dezelfde interesse, kennis, vaardigheid, vormt de homogene groep
top
|
uit: Prima Online (21-4-2011)
Onderwijsverslag 2011: de belangrijkste conclusies
Afgelopen woensdag heeft de Onderwijsinspectie het Onderwijsverslag gepresenteerd. We hebben een paar conclusies op een rijtje gezet.
Stijging opleidingsniveau
Steeds meer leerlingen gaan naar hogere vormen van onderwijs. Er stromen meer leerlingen door van het vmbo naar de havo. Daarvan zakt een kwart voor het havo-examen.
Kwaliteit leraren
Het didactisch handelen is voldoende, maar voor verbetering vatbaar. Dit geldt voornamelijk voor de interactie met leerlingen. Leraren die tussen de 21 en 30 jaar voor de klas staan, doen het minder goed. Een groot deel van de beginnende learen vindt dat de opleiding hen onvoldoende heeft voorbereid op het afstemmen van onderwijs op verschillen tussen leerlingen. De kwaliteit van deze lerarenopleidingen is ook onvoldoende.
Examen
Gemiddelde cijfer voor CE over alle schoolsoorten is stabiel. De cijfers voor de kernvakken Nederlands, Engels en Wiskunde dalen, maar niet in alle onderwijssoorten. Het verschil tussen de SE en CE stijgt.
De prestatiedaling lijkt niet samen te hangen met te hoge adviezen van basisscholen, het kan te maken hebben met een dalende kwaliteit. Die kwaliteit kan omhoog door het aanpakken van knelpunten (vacatures opvullen, bevoegde leraren voor de klas)
Sociale opbrengsten
Vrijwel alle scholen voor havo en vwo hebben enig aanbod voor bevordering van sociale competenties. Nederlandse leerlingen scoren relatief laag op burgerschapscompetenties in vergelijking met andere landen. Slechts de helft van de havo/vwo-scholen voldoet aan de eisen voor burgerschapsonderwijs.
Zorgleerlingen/passend onderwijs
Het aantal zorgleerlingen is nog steeds te hoog. In het voortgezet onderwijs is een stijging te zien van het aantal, in de andere sectoren is het aantal stabiel. Er wordt te weinig opbrengstgericht gewerkt, waardoor niet bepaald kan worden of de zorg effectief is. Om passend onderwijs succesvol te maken, moeten scholen hun onderwijs meer afstemmen op de specifieke behoeften
|
|
|